De museumqueeste II: American Pilgrim Museum

Sinds een tijdje ben ik op een queeste om alle openbare musea van Leiden te bezoeken. In deze serie maak ik je wegwijs in de wereld van de kleine Leidse musea. 

De afgelopen tijd moest mijn museumqueeste even pas op de plaats maken voor de hectiek van het echte leven. In het weekend voor Thanksgiving was de hectiek gelukkig een beetje beteugeld, en vervolgde ik mijn queeste met een – zeer toepasselijk – bezoek aan het Leiden American Pilgrim Museum aan de Beschuitsteeg 9. 

Hoe zat dat ook alweer met de Pilgrims? Voor degenen die de Amerikaanse geschiedenis niet meer zo goed in het hoofd hebben zitten, even een opfriscursus. De Pilgrim Fathers of Pilgrims was een groep Engelse protestanten, die in 1608 uit Engeland vluchtten om aan het juk van de Anglicaanse kerk onder James I te ontkomen. Van 1609 tot 1620 leefden ze als religieuze vluchtelingen in Leiden, nadat ze eerst een jaar in Amsterdam gewoond hadden. In Leiden vonden ze een stad waar ze hun religie in vrijheid konden belijden, maar ook hier ontkwamen ze niet aan de lange arm van James I. Daarom begon in 1620 een deel van de Pilgrims aan een gevaarlijke reis naar Amerika om daar een vrije leef- en geloofsgemeenschap op te zetten. In Delftshaven vertrokken ze op het schip Speedwell, dat na een stop in Southhampton werd ingewisseld voor passage op de bekende Mayflower (waar de bekende Leidse boekhandel naar is vernoemd). In 1620 stichtten zij een kolonie met zelfbestuur bij het huidige Plymouth, Massachusetts. Het zogenaamde Mayflower Compact, waarin besloten wordt tot de oprichting van de civil body politick, wordt door sommigen gezien als de eerste zaad van de Amerikaanse democratie. Daarnaast hebben de Pilgrims, terecht of onterecht, een haast mythische status gekregen in de Amerikaanse cultuur als de grondleggers van het Thanksgiving-feest. 

De voormalige huizen van de Pilgrims in Leiden bestaan tegenwoordig niet meer. Het museum is gevestigd in een huis uit de 14e eeuw, en bestaat uit twee delen: een kamer is ingericht met meubilair uit de tijd van de Pilgrims, de andere heeft een laatmiddeleeuwse inrichting in lijn met de leeftijd van het huis. Als huisgenoot P. en ik op zaterdag een bezoek komen brengen, staat de eerste kamer vol met mensen. Met de twee gidsen, een groepje Amerikaanse toeristen, twee oudere dagjesmensen, en wijzelf is er amper meer plek in de kamer. Een jongere vrouwelijke gids onderhoudt de Amerikaanse toeristen, dus wij wenden ons tot haar mannelijke collega. Waar wij een soort van rondleiding hadden verwacht, blijkt onze gids niet echt een spraakwaterval. Na een tijdje ongemakkelijk te hebben rond geschuifeld – er staan nergens bordjes in het museum – stelt huisgenoot P. een vraag over een van de vele boeken die op tafel liggen. Nu is het hek van de dam; onze gids leeft helemaal op en blijkt een haast onbegrensde kennis van het museum te hebben. Voor we het weten staat we met hem over een zestiende-eeuws manuscript gebogen, bespeelt hij een mini-draaipijporgel, en bedelft hij ons met feiten over het museum. De enorme kaartenbak in de hoek van de kamer, die we eerst niet gezien hadden, blijkt te veel voor onze vermoeide hersenen na zoveel informatie. De Engelse tekst is extreem uitgebreid, de Nederlandse samenvattingen zijn voor onze vermoeide hersenen nog net te doen. 

Bijna twee uur na aankomst bedenken we dat dit slechts de helft van het museum was. Om bij de andere kamer te komen, moeten we eerst het huis weer uit, om vervolgens door de andere voordeur weer naar binnen te gaan. In de middeleeuwse kamer vinden we de andere gids, die ons vol enthousiasme verteld over de geschiedenis van het huis en de voorwerpen in de kamer. De middeleeuwse kamer vormt minder duidelijk een eenheid dan de rest van het museum. Het eerste dat hier opvalt is dat het vloerniveau van een groot deel van de kamer ongeveer een meter onder het huidige straatniveau ligt; voordat het straatniveau werd opgehoogd om overstromingen tegen te gaan, lag het straatniveau op deze hoogte. Dit gedeelte van de kamer is ingericht met een aantal middeleeuwse voorwerpen, met als hoogtepunt een middeleeuwse banier met symbolen van de kruisiging. Onze gids geeft toe dat veel van de voorwerpen in de kamer eigenlijk in een kerk thuishoren. Het voorste deel van de kamer wordt gebruikt als opslag voor de antiekhandel naast het museum. De stichting die het museum onderhoudt, huurt het gebouw van de familie, die ook nog een woning boven het museum hebben. 

Zoals elk museum is het Pilgrim Museum niet zonder problemen. Als je gewend bent aan de contemplatie, stilte, en bordjes van grotere musea zal de interactieve stijl van het museum eerst wat onwennig zijn. Het museum is niet te begrijpen, of zou in elk geval erg afdoen aan waarde, zonder interactie met de gidsen. Het museum presenteert ook een museaal probleem. Hoewel de middeleeuwse kamer een belangrijk onderdeel van de geschiedenis van het gebouw representeert blijft het, ondanks de moeite van de gidsen, toch een beetje het ondergeschoven kindje. Het is moeilijk om voor te stellen hoe het verband tussen de twee kamers beter uitgelicht zou kunnen worden, maar het verwijderen van de vitrine met voorwerpen van de antiekhandel zou een goede eerste stap zijn. Ondanks deze punten is het een mooi klein museum. Het Leiden American Pilgrim Museum belicht een onderbelicht stukje Leidse geschiedenis, en is alleen daarom al het bezoeken waard. Iedereen kent Leidens meest gevierde zoon: Rembrandt, maar weinig mensen zijn op de hoogte van de Leidse geschiedenis van de Pilgrim Fathers. En dat terwijl er nog ongeveer 7000 nazaten van de Pilgrims in Leiden en omstreken wonen. 

Het museum is open van woensdag t/m zaterdag van 13:00 tot 15:00 uur. De entree is 5 euro.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.